E. Böhl

Eduard Böhl

Eduard Böhl werd op 18 november 1836 in Hamburg geboren. Zijn vader was Luthers en zijn moeder de Liagre was van rooms-katholieke komaf. Al spoedig bleek dat voor deze hoogbegaafde jongeman de weg lag in de beoefening van de wetenschap. Zijn ouders hadden graag gezien dat hij via de studie in de rechten een regeringsbaan gezocht had, maar zijn hart trok hem naar de theologie. Tijdens zijn studie kwam hij met zijn vriend Th. J. Locher in Elberfeld. Op 12 april 1861 trouwde hij met Anna Johanna Theodora Kohlbrugge (1836 – 1873). Hij vestigde zich in 1860 in Bazel, waar hij na zijn ‘Habilitation’ privaat-docent werd. Vervolgens werd hij in 1864 hoogleraar te Wenen. In Bazel werden een zoon en een dochter geboren en eveneens in Wenen een dochter (die nog geen 2 jaar werd) en een zoon. Na het overlijden van Anna Kohlbrugge hertrouwde hij met haar nicht Jacoba Frederica baronesse van Verschuer (1846 – 1921). Ook uit dit huwelijk werden 4 kinderen geboren: een dochtertje dat slechts enkele maanden leefde. Daarna 2 dochters en een zoon, de latere prof. dr. Franz Marius Theodor Bohl (1882 – 1976), hoogleraar achtereenvolgens te Groningen en Leiden.

Zijn studenten kwamen vooral uit Bohemen en Moravie: hij heeft hele predikantengeneraties van de kerk van de Boheemse Broeders gevormd. Hij trok ook studenten uit Hongarije en Zevenburgen. De Nederlandse vrienden van Kohlbrugge stuurden hun zonen om bij Böhl in Wenen te studeren. Hij maakte deel uit van de eerste Generale Synode Confessio Augustana en Confessio Helvetica in 1864. De 4de Generale Synode Confessio Helvetica in 1883 koos hem tot praeses en vaardigde hem af aan het hoofd van een delegatie naar keizer Franz Joseph I. Het was een hoogtepunt in zijn leven, toen de ‘reformierte’ Generale Synode op 30 oktober 1883 onder zijn presidiaat en op zijn voorstel op plechtige wijze verklaarde, dat de 2de Helvetische Belijdenis en de Heidelbergse Catechismus Belijdenisgeschriften van de ‘Reformierte’ kerk waren en zouden blijven.

Vanwege zijn verslechterende gezondheid moest Böhl in het najaar van 1899 na een ambtstijd van ruim 35 jaar zijn emeritaat aanvragen. Hij overleed te Wenen op 24 januari 1903 en werd in Elberfeld begraven.

Top