J. Wichelhaus

Johannes Wichelhaus

Johannes Wichelhaus werd geboren op 13 januari 1819 te Mettmann, een stadje in de buurt van Elberfeld. Hij was de oudste zoon van Johannes Wichelhaus en Wilhelmine von der Heydt. De familie van zijn moeder behoorde tot een oud en aanzienlijk geslacht uit het Wuppertal. Johannes vader was predikant te Elberfeld, in 1834 nam hij een beroep aan naar Bonn. In Elberfeld bezocht Wichelhaus het gymnasium. Hij was een briljante leerling en met glans legde hij zijn eindexamen af. In 1836 werd hij theologisch student aan de universiteit van Bonn. In de bibliotheek van zijn vader raakte hij geboeid door boeken over de archeologie, daarnaast maakte hij kennis met preken van H.F. Kohlbrugge. Met toenemende interesse las hij deze ‘leerredenen’. Hij merkte hier het volgende over op: “Ik moest weldra inzien, dat datgene wat rondom mij geleerd en gepredikt werd dit woord niet is en hoe ik ook mijn best deed voor mijzelf een uitweg te vinden, er was er geen: ik moest of het ene haten en het andere liefhebben of mij aan het ene vastklemmen en het andere verachten”. Niet lang daarna maakte zijn oom Carl von der Heydt hem attent op de ‘kommapreek’ van Kohlbrugge over Romeinen 7:14. Een persoonlijk kennismaking volgde later in 1842. Wichelhaus maakte toen om gezondheidsredenen een reis naar de badplaats Scheveningen. Op de terugreis zocht hij Kohlbrugge op in Utrecht. Dit treffen werd voor beiden onvergetelijk. Ze hadden beiden dezelfde interesses, zoals belangstelling voor de Oosterse talen. Later schreef Kohlbrugge: “Ik denk vaak daaraan, hoe wij samen zaten in Utrecht, en hoe toen alles naar het uitwendige nacht om ons heen was.”

Dissertatie

In 1838 zette Wichelhaus zijn studie voort aan de universiteit van Berlijn. Op 10 mei 1839 hield hij zijn eerste preek in het seminarie te Berlijn. In 1840 was Wichelhaus weer in Bonn, hij ging zich voorbereiden op het examen voor het licentiaat, een academische graad waaraan het doceerrecht verbonden was. Dit gaf de nodige narigheid. Zijn sympathie voor Kohlbrugge speelde hem parten, maar ook de kritische houding van zijn beide ooms von der Heydt tegenover de Union, het “samen op wegproces” tussen Luthersen en de Gereformeerden deden hier geen goed aan. De voorzitter van de universiteit verlangde in eerste instantie van Wichelhaus dat hij de eed op de kerkelijke symbolen zal afleggen. Op die manier was men er van overtuigd dat hij zich positief opstelde tegen deze van bovenaf geforceerde eenheid. Wichelhaus weigerde en wendde zich tot de koning van Pruisen voor dispensatie. Dit verzoek werd afgewezen. Men adviseerde hem om in Heidelberg te promoveren, maar uiteindelijk werd het Halle, de faculteit waar A.H. Francke eens hoogleraar was. Ook hier gaf dit de nodige problemen. Wichelhaus dissertatie over de kerkgeschiedenis van Eusebius, die hij eerst in Bonn wilde verdedigen, werd als niet-wetenschappelijk afgewezen. De faculteit gaf hem als onderwerp mee dat hij de Septuaginta-vertaling van de profeet Jeremia moest toetsen aan de Hebreeuws. Men verwachtte dat deze stof eigenlijk te moeilijk voor hem zou zijn, maar in een periode van negen maanden wist Wichelhaus deze studie af te ronden. Afwijzen kon men hem niet. Tijdens zijn promotie stond men verbaasd over zijn grote kennis op het gebied van de talen, kerk- en dogmengeschiedenis. Kohlbrugge had zijn vriend gesteund in deze moeilijke periode. Hij had hem toegezegd te willen helpen bij zijn studie van de profeet Jeremia. “Ik verheug me erover dat U zich niet laat ontmoedigen… God, de genadige God en Ontfermer, zij met U, beste Johannes”.

Hoogleraar

Wichelhaus kreeg eerst een aanstelling als privaat-docent en pas na 8 jaar werd hij geïnstalleerd als hoogleraar te Halle. Dat deze benoeming zo lang op zich liet wachten had te maken met de tegenwerking van de faculteit. Op allerlei manieren probeerde men de benoeming te blokkeren. Ook nu waren het weer de contacten met Kohlbrugge die hem parten speelden. Men beweerde dat hij tot de sekte van de Kohlbruggianen behoorde en dat hij kerkdiensten verzuimde. Uiteindelijk kwam door bemoeienis van de overheid de benoeming af.

Bescheiden en voorzichtig stelde Wichelhaus zich op. Gemakkelijk had hij het niet, zijn collega’s keken op hem neer en vonden zijn colleges niet wetenschappelijk. Wichelhaus kwam op voor het gezag van het Woord en de belijdenis van de Reformatie en stond afwijzend tegenover de Schriftkritiek. Zijn uitgangspunt was “er staat geschreven”, een woord dat Jezus zelf ook in de mond nam tijdens de verzoeking met de satan.

Een kleine kring van studenten volgde zijn colleges en raakte diepgaand beïnvloed. Wichelhaus leerde zijn studenten niet alleen de Bijbel in de grondtekst lezen, maar ook besteedde hij veel aandacht aan de archeologie. Op die manier leerde men juist de bijbelse boodschap beter verstaan, men kon zich dan beter verplaatsten in de gedachtewereld van de bijbelschrijvers. Met zijn studenten had hij een bijzonder goede band, met raad en daad stond hij hen bij. Voor de praktische vorming stuurde hij hen naar Elberfeld “in de leerschool van de praktijk”. Wichelhaus: “ik beschouw mij hier als een loods, die uitvaart naar de wijde zee, en gevoel mij gelukkig, wanneer ik een scheepje te Elberfeld in de haven heb gebracht. Het gaat mij daarbij daarom, dat de jonge mensen in Elberfeld tegelijk hun leer- en proeftijd doorbrengen, dat zij onder de ogen van de predikant en in de gemeente tot boden en dienaren van het Woord gevormd worden.” Hij raadde hen aan om van de catechisaties, avondpreken en gesprekken met dominee Kohlbrugge aantekeningen te maken. In beeldende taal vervolgde Wichelhaus: “Ik weet, dat jullie goed voor anker liggen, daarom roep ik jullie alleen maar toe om deze tijd goed waar te nemen, om jullie scheepje goed te laden en te vullen uit de rijke voorraadschuren, die zich voor jullie openen…” Wanneer zij afgestudeerd waren en een gemeente hadden bleef Wichelhaus voor hen een vraagbaak en bleef met hen meeleven. Een leerling liet zich als volgt over hem uit: “Zijn wezen kenmerkte zich door een teergevoeligheid en diepe ernst… Hij gaf niet alleen onderricht, hij bad ook voor de ander en droeg zijn zorgen op het hart”.

Huwelijk

In het najaar van 1855 trad Wichelhaus in het huwelijk met Pauline Seyler uit Aken. Ze hadden elkaar leren kennen bij Kohlbrugge, waar Pauline regelmatig logeerde. Aan dit gelukkige huwelijk kwam na nauwelijks twee en half jaar een einde. In december 1857 werd Wichelhaus ernstig ziek en op 14 februari 1858 overleed hij in de leeftijd van negenendertig jaar. De avond voor zijn sterven las zijn vrouw Psalm 48. Bij vers 11 zei Wichelhaus: “Nu is het genoeg, het Woord heeft mij gegrepen!”. Op zijn sterfbed had hij Pauline een boodschap gegeven voor zijn studenten “Zeg de studenten hoe ik thans meer dan ooit ervaar, dat het Woord van de Heilige Schrift, dat ik onderwezen heb, stellig en zeker waar is, dat wij mensen arme, ellendige zondaars zijn, en dat alleen het bloed van Jezus Christus, de Zoon Gods, ons reinigt van alle zonde”. Op 19 februari werd Johannes Wichelhaus begraven op het kerkhof van Niederländische Reformierte Gemeinde te Elberfeld. De ouderlingen van de gemeente droegen de kist en Kohlbrugge leidde de begrafenis. Hij getuigde dat men hier een echte professor ter aarde bestelde, die geen menselijke leer, maar Gods Woord verkondigd had.

Hoewel Wichelhaus maar kort leefde, heeft hij diverse studenten opgeleid tot predikant. Toen Kohlbrugge eens een gesprek had met de grootmoeder van Wichelhaus zei hij onder andere tegen haar: “wanneer er twee, alleen twee studenten door de dienst van Wichelhaus bekeerd zijn, dan zijn twee gemeenten bekeerd.” Toen lachte zij, gaf Kohlbrugge een kus en zei: “dat troost mij”. Dit woord is vervuld, verschillende leerlingen kwamen terecht op kansels in Duitsland, Nederland, Zwitserland en Oostenrijk.

Top