B. Lütge

Benjamin Lütge

Benjamin Lütge werd geboren op 31 juli 1858 te Elberfeld als zoon van Heinrich Andreas Lütge en Maria Petronella Schey. Uit hun huwelijk zijn vijf kinderen geboren waaronder twee zoons die predikant zouden worden, Heinrich Andreas Johannes en Benjamin. Dit gezin behoorde tot de Niederländisch-reformierte Gemeinde, de gemeente van dr. H.F. Kohlbrugge. Benjamins vader stamde uit een Pruisisch geslacht en was onderwijzer in Elberfeld aan de Schmachtenbergische Schule. Oorspronkelijk kwam hij uit Bayerstädt, een plaatsje in Brunswijk, maar door onenigheid in zijn vorige werkkring verhuisde hij naar Elberfeld. Dit geschil betrof een conflict met een docent, een zekere Dinter, die de maagdelijke geboorte van de Heere Jezus loochende. Vader Lütge was hierover zo verontwaardigd dat hij hem een zwijn noemde. Dit betekende voor hem ontslag. Het optreden van Lütge was niet onopgemerkt gebleven, in de kranten werd hier zelfs melding van gemaakt. Toen Carl von der Heydt, een invloedrijke burger uit Elberfeld, dit vernam, attendeerde hij Lütge erop dat er een vacature was in Elberfeld en dit resulteerde in een benoeming aan de bovengenoemde school.

Benjamin genoot catechetisch onderwijs van Kohlbrugge en onder diens prediking werd het verlangen bij hem gewekt om later het evangelie te verkondigen. In Elberfeld bezocht Benjamin het gymnasium en vervolgens werd hij op 22 september 1873 ingeschreven als theologisch student aan de Utrechtse universiteit. Hij ging hiermee in het voetspoor van zijn oudere broer. Zes jaar later deed hij kandidaatsexamen. Op 6 november 1881 werd hij door zijn broer H. A. J. Lütge bevestigd als predikant in de Hervormde gemeente Ter Aa. Drie jaar later verbond hij zich aan de Brabantse gemeente Raamsdonk. Op 1 mei 1885 trad hij in het huwelijk met Anna Maria Wolfensberger, zij was een dochter van de Zwitserse predikant J.R. Wolfensberger. Op 12 augustus 1888 nam Lütge afscheid van Raamsdonk en op 26 augustus 1888 werd hij bevestigd als predikant te Groningen.

Groningen

In de periode dat Lütge in Groningen stond kreeg hij regelmatig bezoek van studenten. Een van hen was J. A. Hoekzema. Na Lütges dood gaf hij een indruk over zijn leermeester en diens prediking: ‘Mijn leermeester – ja, dat was hij, meer was hij, mijn geestelijke vader. De Woensdagavonden in Groningen zijn onvergetelijk. Eerst samen naar de Bijbellezing in de Noorder-Bewaarschool, waar het zo vol was, dat er haast geen plaats was om te staan. En dan naar de Oosterstraat, naar de ruime studeerkamer in het altijd gastvrije huis. Het is alsof we weer bij elkaar zitten. De ma­gister met zijn discipelen. Een breed man, onze leermeester! Bij al zijn kennis had hij toch oor voor de gedachten van ons, al waren we bij hem vergeleken maar kinderen. Hier kregen we de Schrift lief. Hier werden wij in het leven der Schrift ingevoerd. Hier deed geen kritiek ons kwaad. Hier werd de bloem der Schrift niet uit elkaar gehaald, maar dronken we haar heerlijkheid in. ‘Oom Ben’, zo noemden wij hem onder elkaar. ‘Oom Ben’. Man van grote, forse gestalte, doch met een gemoed, teer en week als van een vrouw, en eenvoudig als een kind. Het Woord, door hem met ruime armzwaai uit­gestrooid, is niet ongezegend gebleven. Het middelpunt der prediking was – hoe kon het anders bij deze leerling van Dr. Kohlbrugge – de rechtvaardigmaking door het geloof. Christus en Die gekruist. De vleselijke heiligmaking, waarbij de mens iets wordt, die werd overboord geworpen, onverbiddelijk. De heiligmaking des Geestes echter, die in Christus haar oorsprong heeft, zij werd in stralend licht geplaatst.’

Elberfeld

In 1901 volgde een beroep van de Niederländisch-reformierte Gemeinde te Elberfeld. In die gemeente was een vacature ontstaan door het overlijden van J. Künzli. Lütge nam dit beroep naar zijn geboorteplaats aan. Op zondag 6 oktober werd hij door pastor R. Huber bevestigd en hij deed intrede met een preek over Hebreeën 12 : 28 en 29. Op 16 en 17 augustus van het jaar 1903 werd in de gemeente stilgestaan dat Kohlbrugge een eeuw geleden geboren was. Ter gelegenheid van dit feit gaf Lütge een geschrift van Kohlbrugge uit: ‘Die Lehre des Heils, in Fragen und Antworten.’ Hij voorziet deze publicatie van een ‘Voorbericht’, waar hij ondermeer ingaat op hetgeen het kenmerkende was van de leer van Kohlbrugge. Later verschenen van zijn hand uitgaven van Kohlbrugges Schriftauslegungen. Op 6 december 1906 ontving de gemeente een tweede predikant in de persoon van G.W. Locher. Een moeilijke periode was de eerste wereldoorlog, 1914 – ’18. Verschillende leden uit zijn gemeente werden opgeroepen voor het leger. Ook in zijn gezin is het leed hem niet bespaard gebleven, drie zonen zijn op vrij jonge leeftijd overleden. Op 25 december 1927 is Lütge heengegaan. Hij werd begraven op het kerkhof aan de Katernbergerstrasse in Wuppertal-Elberfeld, dichtbij de rustplaats van Kohlbrugge.

Tuinbaas

Lütge was geliefd om zijn prediking, maar ook was hij pastoraal erg begaan met zijn gemeenteleden. Zo woonde er in zijn eerste gemeente een man die tuinbaas was bij een freule. Deze dame had een wat zonderling en onberekenbaar karakter. Op zekere dag kreeg deze man te horen, zonder dat hier enige reden voor was, dat hij werd ontslagen. De predikant bezocht dit gezin wat in ernstige zorgen zou komen. Toen Lütge dit relaas hoorde was hij vol medelijden. Bewogen ging hij heen, na eerst gewezen te hebben op het Woord, dat de Heere de harten der koningen neigt als waterbeken. De volgende morgen kreeg deze tuinbaas zonder enige verklaring van de freule te horen dat hij weer gewoon aan het werk kon gaan. Lütge had geen goed woord voor zijn gemeentelid gedaan, maar hij was voor dit gezin gaan bidden. Dat was het geheim. Hij was een man van gebed, een kinderlijk vertrouwen bezielde hem.

‘Stemmen van Jeruzalem’

Van Lütge zijn verschillende preken nagelaten. Een aantal hiervan zijn opgenomen in de prekenserie ‘Stemmen van Jeruzalem’ Op 14 juni 1901 preekte Lütge in de A-kerk te Groningen. Hij bediende het Woord uit Psalm 65:10: ‘De rivier Gods is vol waters’ Op een pastorale wijze wist hij zijn gemeente te troosten. Hij stelde in deze preek de vraag: ‘Maar is dat waar, mag ik dat geloven, het daar­voor houden, dat God mij schenkt vergeving van mijn zonden? – dat Zijn Heilige Geest ook mij gegeven is, ook mij zal leiden, leren en troosten? Dat ook ik deel heb aan het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid?’ Op deze zielsvraag antwoordde deze pastor: ‘Hoor wat de Geest tot u zegt: de rivier Gods is vol waters. Verneem hoe God zorgt voor Zijn arm volk in geestelijk opzicht! De rivier Gods, – dat is het Woord Gods, – het Woord, dat uit Zijn hart is voortgekomen, waarin Hij Zich heeft geopenbaard met Zijn ganse Naam in al Zijn deugden en volmaaktheden tot troost en zalig­heid van al wat arm en verloren is in zichzelf. De rivier Gods is het eeuwige Woord, dat vlees ge­worden is. Het is de Zoon, door Wie de Vader tot ons gesproken heeft, Die ons de Vader heeft verklaard, en Die wederom tot ons spreekt door Zijn Profeten en Apostelen, Zijn dienstknechten en getuigen. Put vrij uit deze volheid, u die zichzelf ellendig en jammerlijk, arm en dor en dood gevoelt, terwijl het u toch gaat om het leven en het heil van onze God. Laat af en ziet af van uzelf en van alle schepsel. Al wat van ons komt, kan voor God niet gelden, – voor God geldt alleen Christus, Die ons, verlorenen in onszelf, van God geworden is Wijsheid, Gerechtigheid, Heilig­making en Verlossing. Daarom verlaat u op Hem alleen, vertrouw u aan Hem toe, en laat Zijn Genade u ge­noeg zijn, – zo schuilt u onder de schaduw van deze Rotssteen, en u drinkt van de wateren des levens, die, hoe ziek en onvruchtbaar u ook in uzelf bent, u gezond en vruchtbaar doen zijn, Gode tot lof en prijs.’

Top